In de zomer van 1672 stuitte de Münsterse bisschop Bernard von Galen, alias Bommen Berend, onderweg naar de stad Groningen op diverse verdedigingswerken, zogenaamde schansen.

Auteurs van de boeken over de schansen in Noord-Nederland hebben te vaak gegist naar de ontstaansperiode van deze vestingwerken in Zuidoost-Drenthe.
Voor een duidelijk overzicht verwijzen wij echter graag naar het boek Drie Drentse Schansen van Hans van Westing uit 2012 (ISBN 9789491431104). Ook in de Atlas van historische verdedigingswerken in Nederland. Groningen, Friesland, Drenthe uit 2013 (ISBN 978053454657) wordt duidelijk beschreven waarom de schansen aangelegd werden. De Bargerschans wordt daar ook in genoemd.
De meest recente en uitgebreide bespreking van de vermoedelijke plaats en het jaar van aanleg van de Bargerschans staat in Ericase toponiemen uit 2017 (ISBN 9789075115925).

Verdedigingswerken
Een schans is een oud militair verdedigingswerk, gebouwd van afgegraven grond en vaak omringd door een gracht. Veel schansen zijn aangelegd tijdens de Tachtigjarige Oorlog en stonden op strategische plaatsen in het landschap. In Drenthe waren dit belangrijke punten binnen de wegen die vanaf de zandgronden door het veen liepen.
Sterrenschans, redoute en bastions
Tijdens de 16e-17e eeuw was de stervormige schans met naar buiten gekeerde punten het meest gebruikelijk type schans. Deze naar buiten gekeerde punten zijn de bastions, vijfhoekige uitstulpingen waarop de kanonnen stonden. De vierkante schansen heten redoutes.

De Drentse Schansen

| 1. Vestingstad Coevorden, 2. Schans Ten Hole (Den Hool), 3. Schans Katshaar, 4. Emmerschans, 5. Valtherschans, 6. Roswinkelerschans, 7. Bargerschans, 8. Ommerschans, 9. Zwartendijksterschans. (De cursief benoemde schansen bestaan niet meer.) |
In Drenthe zijn de Katshaarschans, de Zwartendijksterschans en de Emmerschans bewaard gebleven. In de tweede helft van de 20e eeuw zijn deze zoveel mogelijk teruggebracht in hun oorspronkelijke staat. Vanaf 2009 beheert Het Drentse Landschap deze schansen.
De Bargerschans
De Barger- of Bergerschans lag op de pas van Schoonebeek naar Zuidbarge die door het veenmoeras liep langs de Bargerbeek.

In augustus 1665, kort voor de eerste Münsterse inval, schreef kolonel Broersema, de toenmalige commandant van vestingstad Coevorden, dat het wenselijk zou zijn op een zandkopje in deze passage van Emmen naar Schoonebeek een redoute aan te leggen. Volgens auteur Versfelt zou de redoute er pas in de eerste helft van de 18e eeuw komen, maar niets blijkt minder waar, zoals we hierna zullen zien.
De bisschoppelijke troepen uit Münster zijn nooit over deze schans getrokken.
De schans is daarna in verval geraakt, er bleef slechts een weg over.
Bij de inspectie van de venen in 1681 zagen de gecommitteerden de veenweg niet als een probleem.
Generaal Menno baron van Coehoorn dacht daar blijkbaar anders over. In een brief aan de Staten van Friesland van 4 augustus 1701 zet hij zijn plannen uiteen voor de beveiliging van de provincies Groningen en Friesland.
Hierbij betrekt hij de Sandhardt loopende van Suidbergen door het moer naar Schoonebeek:
‘Op de pas van Suidbergen gaande naa Schoonebeek dient een redoute geleidt waar de sandtrille eindigt, ende tot meerdere verseekering in het Schoonebeekse diep, van de source af, op distanciën te werden geleidt overvallen, om het waater, soo veel doenlijk is, in de moeren te holden’.
De eerste plannen zijn echter niet uitgevoerd. In 1754 werd tijdens een inspectiereis door de hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel op de ‘Sandhardt Pas’ een vervallen redoute aangetroffen.

In 1796 onderzoekt generaal Van Hooff de passage en in zijn memorie over de defensie schrijft hij:
‘Dan nog over het Zuidbergen veld langs het dorp van dien naam naar de Zuidbergerschans, alwaar de vaste zandgrond nog 200 honderd roeden breedte heeft. Voorts loopt door het moeras een voetpad tot op Schoonebeek, het geen zomers te voet en te paard, doch ’s winters maar alleen te voet te gebruiken is. Deeze schans, een vervallen redoute, breed in front 10 roeden, zijnde met een gracht omringt. Op 10 à 12 roeden voorwaarts ligt een opgeworpen dijkje bekend onder de naam van Ruiterdijk, welke men denkt te voren ook tot defensie van deeze passage gedient te hebben.’
Van Hooff spreekt over een dwarsdijk, die voor het werk was aangelegd en vermoedelijk de verdediging hier moest ondersteunen. Herstel van de redoute achtte hij blijkbaar niet nodig. Door het natter worden van het omliggende moeras zou het niet meer mogelijk zijn over de pas heen te trekken.
In het bijgaande kaartje zien we dat de Bargerschans, in het stroomdal van de Bargerbeek en langs de zandweg van Emmen naar Schoonebeek, samen met een aantal andere schansen een verdedigingslinie langs de Hondsrug en het Bourtanger moeras vormde.

De Bargerschans werd, als een eenvoudige redoute, reeds in september of oktober 1665 aangelegd. Dit blijkt uit een in de archieven gevonden kostenoverzicht, waarin vermeld wordt dat de boeren van het Kerspel Sleen voor hun arbeid aan de Katshaar- en Barger-schans betaald werden:
‘Costen van fortificatie wercken ende gedeboucheert Arbeijts-loon’:
‘no. 2 Sleen. Betaelt aende Ingesetenen van het Carspel Sleen, An voldoeninge vande daghuiren, van dat sijluiden inden herfst 1665 op verscheijden dagen, tesamentlijcke, ten dienste vanden Lande, aende nieuwe Schantsen opde Catshaer, achter Suitberge, omtrent de Ruiters-berche, ende voor de Emmerdijcken, hebben gearbeijdet ende de summe van drie hondert des ende dertich Carolus guldens, volgens declaratie, Attestatie, Ordonn: vanden 27 Junij 1666 ende Quitan no. 2. Dus hijr ƒ 336-0-0.
Er werd dus tezamen met de andere schansen hier in de nabijheid ‘achter Suitberge, omtrent de Ruiters-berche’ een nieuwe schans aangelegd door de ingezetenen van het kerspel Sleen.
Zoals al eerder gezegd, bij de inspectie van de venen in 1681 zagen de gecommitteerden de veenweg ook niet als een probleem:
‘Wij hebben hier (Zuidbarge) sijne, mede verstaen dat van Schonebeek door’t Moer een wegh loopt nae Suijtbergen, maer naderhant wierde ons gesegt datse meest ge-ruijneert was’. Hun advies luidt dan ook: ‘Wat de Wegh door’t Moer van Schonebeek nae Suytbergen aengaet; dese sal met het jnnouderen der Moeren, soo ick geloove genoechsaem verdistrueert worden’.
In 1691 vindt er wederom een onderzoek plaats naar het inunderen van de moerassen in Noordwest-Nederland ten behoeve van de landsverdediging.
Op 19 september 1691 berichten A. van Schurman, Beutingh en Wermeus aan de drosten van Drenthe en Westwoldingerlant dat de Staten Generaal hen in juli 1691 als gecommitteerden hebben belast inzake het inspecteren in het kader van het: ‘het inunderen der Moerassen in en omtrent de provintie van Overijssel en Westerw:Lant ende vervolgens oock in de Lantschap Drenthe’.
Zij hebben geconstateerd dat op ‘verscheijden plaatsen de gemaakte Leijdijcken door de Beesten geheel zijn vertreeden, op sommige plaetsen deselve doorgebrooken, niet sonder suspijtie dat het door boosaardige ende baatsoeckende menschen is gedaan, ende hier ende daar groote Quantiteijt Boeckwyt over deselve meede bevonden besaaijt te sijn dienende alles daer toe om den Vijant over alle bequame passagien te maeken vant Moer te connen passeeren ende in t Hert van deesen Staat in te dringen’.
Bij missive van 5 september 1689 hadden de Gecommitteerden al verzocht dit te beletten. Zij benadrukken nogmaals dat:
‘in voorn. Moerrassen tusschen of over de Leijdijcken niet werde gebrant, noch eenige vruchten werden gesaaijt, noch turff gegraven. Ende dat door de Ingelanden dewelcke eenige van deese Moerrassen sullen begeeren te bevrijden, Alomme behoorlijcke overdriften ofte rillen gemaakt werden, met bequame ofschuttinge ter eijnde door ’t vee de gemelte dijcken niet wederom vertreeden worden’.
Op 26 december 1691 schrijft J. Bottichius, Scholts van Dalen en geautoriseerd Scholts van Emmen, een rapport over de door hem uitgevoerde inspectie van de leidijken. Op 20 december 1691 heeft hij de opdracht ontvangen en is op 21 december gestart met zijn inspectie.
Op 23 december komt hij aan in Schoonebeek:
‘Van daar (i.c. Zuidbarge) na de weg die van Suidtbarge gaat na Schoonbeeck, en ben geweest hen an de Schoonbeecker beeck, ende hebbe bevonden dat haar wel mogende Heeren daar seven door snidinge door de weg hebben gemaackt,
1. de eerste dyck ginck een bemende weg om de dyck heen
2. de twede dyck en sloot waar een wagen weg middel door gesmeten daar wel menninge na anseen waar door gedaan
3. de darde ad idem een gat off wagen weg middel door gesmeten etc:
4. de veerde dyck ginck de weg om heen, en de dyck waar goet
5. de vijfte dyck gaat de weg om heen, en is de dyck goet bevonden
6. de seste door snidinge dyck is goet en gaat de weg om heen
7. de sevende dyck op een einde in de dyck een gat in gesmeten daar wel menninge is door gegaan soo dat van Suitbarge na Schoonbeeck na anseen een geheele vaart heen gaat
Twee Suitbarger buirren syn by mij gekoommen en hebben geklaecht, dat sij van geen insmijtten van dycken het minste part en deel hebben maar dat Eissen Henderick van Schoonbeeck hares gewetenen twee voederen veltsteennen heeft gehaalt daar mede over den dyck is geweest en dat hem een radt is stucke gebroocken, daar hij tott Suitbarge een ander in de plaats heeft geleent en enige luiden dat selve radt hebben op het stel off scheennen geset, dat sij in dat helpen hebben geseen een schoeffel bij sich heeft gehadt’.

De Bargerschans (rode rechthoek) vooruitgeschoven ten opzichte van de zogenaamde leidijk(en)
Afijn, een ding is duidelijk; de boeren van Schoonebeek en Zuidbarge wezen naar elkaar als het ging om het saboteren van de, wat thans de Herendijk en Verlengde Herendijk zijn, om in afwijking van de belangen van de landsverdediging het waterniveau in het stroomdal van de Bargerbeek (en dus rond het latere Erica) te “regelen”.

En zo zal de Bargerschans er aanvankelijk uitgezien hebben. Strak opgeworpen en met gras begroeide aarden wallen.
En ondanks dat onze dorpsgenoot Bennie Maatje ooit een kanonskogel in de vorm van een heuse “zesponder” in zijn tuin vond is er op de wallen van de Bargerschans nooit een kanon afgevuurd.

De schans raakte in verval en toen in 1863 de eerste pioniers zich op Erica vestigden namen zij, samen met hun geiten, ook de restanten van de Bargerschans in bezit.
En waar lag die Bargerschans dan precies?
Wel, door de jaren heen hebben meerdere Ericanen en oud-Ericanen het nodige speurwerk naar de exacte locatie van de Bargerschans gedaan. In het eerste hoofdstuk van de Ericase toponiemen gaat Bert Finke uitgebreid in op de vermoedelijke plaats.

Behalve de “zesponder” van Bennie Maatje is er nog meer tastbaar bewijs van de Bargerschans gevonden. Aan de hand van verhogingen (de vroegere wallen) in het straatbeeld van de woonwijk Erica-Noordwest en met name dan aan De Welhaak kunnen we nog herkennen dat hij daar ooit als verdedigingswerk geduldig op de vijand wachtte.
Eén van de amateur-speurders weet nog dat hij als kind, toen de woonwijk er nog niet was, samen met zijn vriendjes op de wallen van de toenmalige Bargerschans gespeeld heeft.
