De openlegging der Olde Lantschap door kanalen,

We beginnen met een zelfportret van 2 heren die heel belangrijk voor Erica zouden worden. Misschien kent U ze reeds of anders toch meer even verder lezen.

In het boek “Deining in Drenthe” van professor D.J. Prakke wordt uitvoerig ingegaan op het plan van de Drentsche Kanaal Maatschappij waarin door een “kanalenplan” ook onze hoek van Zuidoost Drenthe toegankelijk en tot bloei gebracht zou worden.

Dit plan lag besloten in de Concessie die bij Koninklijk Besluit van 12 maart 1850 in 1850 verleend werd met de bedoeling om “de Hoogeveensche Vaart te verbeteren en het verlengen tot in de venen  in de gemeente Emmen met een zijdkanaal naar  Koevorden en ene waterleiding naar Beilen tot voeding der Drentsche Hoofdvaart”.

Concessionarissen waren jhr. mr. A. W. van Holthe tot Echten te Assen, mr. J. Heemskerk Azn en Jan Kalff & Co te Amsterdam. Zij behoorden tot de reeds bestaande en traditionele samenwerking tussen Echten en de Amsterdamse zakenwereld.

En nu begrijpen we ook waarom we ooit op Erica een Heemskerk- en een Kalffsluis hadden en nu nog steeds een straten genoemd naar deze Amsterdamse zakenlieden.

Maar wie waren zij?

Mr. J. Heemskerk Abrahamzoon (1818-1897) was als advocaat lid van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam en commissaris van de Drentsche Kanaal Maatschappij. Ook was hij een belangrijke negentiende-eeuwse politicus, die driemaal minister van Binnenlandse Zaken werd. Aanvankelijk was hij een gematigd liberaal Tweede Kamer lid voor Amsterdam. Ook stond hij bekend als een hardwerkende pragmaticus met een conservatieve levenshouding, een politicus zonder partij, die bedaard en met milde humor optrad.

Jan Kalff (1799-1862) mede-eigenaar van het Amsterdamse Bankiershuis Jan Kalff & Co. De concessie voor het verbeteren en verder graven van de Hoogeveensche Vaart werd getekend op 21 en 23 maart 1850 om direct daarna te worden overgedragen aan net opgerichte NV Drentsche Kanaal Maatschappij. De concessie werd verleend in de vorm van een overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en – hoe kan het anders – de heren Jhr. Mr. A. W. van Holthe tot Echten uit Assen, mr. J. Heemskerk en Jan Kalff beide uit Amsterdam.

En de rest is geschiedenis, want zo stonden Heemskerk en Kalff aan de geboortewieg van Erica. Omdat het kanaal hier begon met zijn weg over c.q. door de Hondsrug kreeg Erica op een afstand van 800 meter twee sluizen, de Kalffsluis bij de Veldhuizerwijk (nabij de Ericasluis) en de Heemskerksluis bij de Ericasebrug. Dus niet meer dan billijk dat er op Erica een straat naar de beide heren vernoemd is.

Terug naar de DKM.

De geschiedenis van dit kanalenplan toont heel duidelijk met welke financieringszorgen en moeite dergelijk omvangrijke ondernemingen (rond 1850) voor de “ondernemers” gepaard gingen. Over de eerste 10 jaren der Drentsche Kanaal Maatschappij (DKM) schreef mr. L. Oldenhuis Gratama in het Tijdschrift voor Staathuishouding en Statistiek  in 1860:

“Alle groote ondernemingen hebben met misrekeningen en moeylijkheden te worstelen. Het schijnt dat de DKM die nu te boven is gekomen. Zij gaat een goede toekomst tegemoet.

Edoch, alle leed was toen voor de “Kanaal-Heren zeker” nog niet geleden!

Met dat al werd Drenthe een van de met vele kanalen doorsneden land en vooral daardoor werd de weg tot kolonisatie van de grote markevelden geopend.

Van drie zijden trok men op het Zuidenveld af en aan drie zijden verrezen de nieuwe nederzettingen.

Aan de monden van het Stadskanaal waren het vooral Groninger kolonisten.

De autochtone Drent is van nature geen man voor de venen. Hij heeft meer met “het zand”. Opmerkelijk is bijvoorbeeld de nummering van de huisplaatsen in de monden. Niet van het Drentse moederdorp uit maar vanaf de Groninger grens. Ook na de vervening zou de bevolking hier een sterk Gronings karakter behouden en komt er daar nog steeds “waoter” uit de kraan.

Terwijl er op Erica gewoon “water” uit de kraan komt en bij je familie in Diever, Appelscha en de Smilde drinken ze “weater”.

Want de kolonisten, die vanaf “het westen” kwamen, stamden veelal van de Friese verveningen en zakten af naar hier naar mate het Oranjekanaal, dwars door Drenthe, vorderde. Emmer Compascuum heette aanvankelijk in de volksmond Friesch-Compascuum. Langs het Oranjekanaal ontstond niet alleen Schoonoord. Maar ook, wat men noemde “het opklopsel van vele provinciën uit de Maatschappij der Weldadigheid” bij Veenhuizen kwam via het Oranjekanaal deze kant op.

En dan waren er natuurlijk de gezinnen die met het vorderen van de Hoogeveensche Vaart en de Verlengde Hoogeveensche Vaart naar hier kwamen.

De Drentse schrijver J. van der Veen schreef hierover in zijn boek Nieuw Drents Mozaïek het resultaat taalkundig als volgt: “Het vrolijk gesnap der mannen, hier gevoerd in ’t Drentsch dialect, dáár in den Gelderschen tongval, ginds in ’t Boerenfriesch, elders in ’t plat Groningsch tot in ’t Amsterdamsch en Leidsch patois incluis, vermengt zich met het lustig gezang van vrouwen en kinderen, waarvan de woorden niet altijd even kiesch zijn.”

Kortom een ware smeltkroes van “volkeren”, dit Drentsch Californië, zoals men het de 19e eeuw de Zuidoosthoek van Drenthe ook wel noemde.

Ook vanuit het oosten, van over de  landsgrens, kwamen ze, aanvankelijk als seizoenarbeiders en turfgravers, ook naar hier. Vooral uit de omgeving van Münster en Osnabrück. Deze Munsterlanders en Hannoveranen brachten hun eigen geloof en gewoonten mee en zo werden er aan de Drentse lappendeken nog meer kleuren toegevoegd. Het werden nieuwe rooms Katholieke centra in een nagenoeg geheel Protestants, met name Hervormd gewest, waarvan dominee Picardt eens schreef:

“De ingesetenen deser Landschap zyn altesamen toegedaen de Gereformeerde Religie, alsoo dat men zeer weynige vind die contrary gesind zijn. Nieuwe godsdienstige kleuren kwamen er vele in de veenkoloniën, waar een uit alle delen van het land samengestroomde bevolking, zonder tradities en zeden in een kerkelijk niemandsland zonder geestelijk of maatschappelijk middelpunt een gereede prooi werd van tientallen sekten en stroomingen. Zij namen, onder dikwijls moeilijke omstandigheden, de taak op zich, die de kerken van de oude dorpen op het zand al te veel verwaarloosd hadden”.  

Ze hebben harde levensomstandigheden gekend die eerste veenkolonisten. En daar konden ze het dus mee doen.       

Hoe nu verder?

Ondanks de uitspraak van mr. L. Oldenhuis Gratama in 1860 dat de DKM vanaf nu een goede tegemoet zou gaan zou het toch anders lopen.

In 1860 bereikte men de meest westelijk gelegen Barger-venen en in datzelfde jaar kon reeds de eerste turf worden afgevoerd.

Pas in 1867 is het kanaal – zij het eerst nog als hulpkanaal – aangelegd tot aan de latere Ericase brug.

Als gevolg van “geschillen”, veroorzaakt door de Groninger industriële familie Scholten, over het verdere tracé van het kanaal liepen de kanaal graafwerkzaamheden veel vertraging op en kwam de verbinding met het Duitse Süd-Nord-Kanal pas eind 19e eeuw tot stand.

 

W.A. Scholten

Het was dus de vanuit Klazienaveen “opererende” industrieel W.A. Scholten die de graafwerkzaamheden dwarsboomde.

W.A.  Scholten werd bekend door zijn aardappelmeel-, stroop, strokarton en suikerfabrieken.

Min of meer bij toeval raakte Scholten betrokken bij de turfhandel.

Op 16 september 1873 bezocht een vervener uit Stadskanaal hem met het verzoek te participeren in een veenaankoop van 756 hectare te Emmer-Compascuum.

Scholten stemde toe en raakte vervolgens zo enthousiast, dat hij in de twee daaropvolgende jaren het gehele Smeulveen (974 ha) en 1000 ha in het Barger-Oosterveen aankocht. Bij de aankoop zal hij ongetwijfeld gedacht hebben aan het brandstofverbruik van zijn vele fabrieken.

Verder wilde hij persé dat het kanaal ook door het, naar Scholten’s moeder Klaassien genoemde dorp Klazienaveen, zou lopen.

En met een succesvolle Haagse lobby – die dus wel de nodige vertraging in de kanaalgraverij veroorzaakte – kon hij er voor zorgen dat even voorbij het in 1863 gestichte Erica de loop van het kanaal afboog naar links om vervolgens via Klazienaveen zijn weg naar Duitsland te vinden.

Nadat Scholten zijn zin had gekregen kwamen de graafwerkzaamheden weer opgang en in 1889 kwam de verbinding met het Oranjekanaal via de Bladderswijk en de Hoogeveensche Vaart tot stand.

Inmiddels hadden de heren Kalff en Heemskerk zich uit het project terug getrokken en werd vanaf nu het graven van het kanaal uitgevoerd door de N.V. Nieuw-Echtens Veen Compagnie, die intussen de concessie had overgenomen van de DKM.

Ten oosten van Erica, halverwege Klazienaveen – ter hoogte van de boerderij van de Familie Germs – wordt dan ook de naam Verlengde Hoogeveensche Vaart verandert in Van Echtenskanaal.

Uiteindelijk bereikte de Verlengde Hoogeveensche Vaart in 1893 via Zwartemeer de grens met Duitsland en in 1898 werd er een verbinding met het Duitse kanalenstelsel gerealiseerd.

Overigens was W.A. Scholten niet zomaar een industrieel met veel bezit in onze regio. Nee, hij was met al zijn activiteiten zelfs de eerste wat we tegenwoordig “Multinational” noemen. Zo was Scholten mededirecteur en grootaandeelhouder van de “Nederlandsch-Amerikaansche-Stoomvaart-Maatschappij”, de latere Holland-Amerika Lijn. Het eerst gebouwde schip liet hij naar zichzelf vernoemen: de W.A. Scholten, gereedgekomen in 1874, een stoom-zeilschip met drie masten dat 2500 ton lading kon vervoeren, 50 cabines had en ruimte voor 600 passagiers. Het schip zonk in 1887 op Het Kanaal tussen Engeland en Frankrijk voor de kust van Dover.

De echtgenote van Scholten en de moeder van Jan Evert, Klaaszien Sluis was een dochter van Jan Everts Sluis, een rijke graanhandelaar uit de stad Groningen, en hun huwelijk in 1847 bracht een bruidsschat van 3000 gulden in de huishoudportemonnee.

Bovendien bleek schoonvader Sluis bereid te zijn geld in Scholtens zaken te steken. Nog datzelfde jaar leende hij Scholten ongeveer 75.000 gulden en in de twee jaren daarna nog eens 52.500 gulden. Voor de ontwikkeling van het de  verzameling bedrijven waren dit doorslaggevende investeringen. Klaaszien Sluis kreeg vanaf 1849 de leiding over de boekhouding. Wel werd in 1859 een boekhouder aangenomen, maar Sluis behield het toezicht op de hoofdadministratie. Scholten had groot vertrouwen in haar: 

[er is] … geene betere geldelijke controle te denken (…) als daar waar eene vrouw aan het hoofd staat, die de zaken met zooveel ambitie en attentie nagaat als mijne Echtgenoote.

In de provincie bezat Willem Albert Scholten een groot aantal boerderijen. In 1889 bij zijn gouden jubileum als fabrikant, tevens zijn zeventigste verjaardag, schonk hij de stad Groningen een kinderziekenhuis gelegen op de hoek van Sint Jansstraat en de Singelstraat in Groningen.

Overigens is ook van hem bekend dat, toen een van zijn arbeiders bij een bedrijfsongeval een arm had verloren, en de man na verloop van tijd weer op zijn werk terugkeerde W. A. Scholten zei: “Okay, je kunt terugkomen, maar omdat je nog maar een arm hebt en kunt gebruiken krijg je vanaf nu ook nog maar de helft van je loon.” 

Tja, “de Heren fabrikanten en verveners ” waren duidelijk de baas en lieten de wereld in het veen in alles en nog wat naar hun pijpen dansen. Maar er kwam een moment waarop men dat niet meer pikte.

We weten inmiddels dat het werk in het veen zwaar was. Niet alleen voor de  mannen maar ook voor de vrouwen en aan het begin van ieder nieuw seizoen en de bijbehorende arbeidsovereenkomsten loerde altijd onrust. Letterlijk en figuurlijk vanachter iedere turfbult.

In 1888 en 1890 braken er veenstakingen uit die gepaard gingen met de zogenaamde “bollejagerijen”. (Uitdrukking afkomstig uit Friesland in de 19e eeuw. Het staken van het werk in de veenderijen (voor meer loon). De arbeiders trekken dan in troepen het veen in en verplichten andere arbeiders om mee te gaan. Volgens sommigen een verbastering van ‘bulle-jagen’ (het vangen van een loslopende stier dat ook gepaard gaat met veel gejoel) maar dat is niet bewezen.

Na de strenge winter van 1888 was de vraag naar turf groot. De arbeiders zagen hun kans schoon om hun eisen te stellen. Zij verzetten zich niet alleen tegen de lage lonen, maar ook tegen de gedwongen winkelnering, dat is het verplicht kopen van goederen in de winkel van de vervener.

De stakingen werden in Zuidoost-Drenthe geïmporteerd door de radicale Friese seizoenarbeiders, die veelal in de socialist F. Domela Nieuwenhuis hun politiek leider zagen.

De arbeiders trokken demonstrerend door de dorpen en her en der werden dan bij verveners de ruiten ingegooid.

Aanvankelijk kregen de stakers enige toezeggingen, maar die werden later teruggedraaid.  En werd de onrust de kop ingedrukt door inzet van de marechaussee. De marechaussee, die onder andere gelegerd was te Klazienaveen, greep regelmatig hardhandig in. Maar de stakers waren evenmin zachtzinnig ten aanzien van de werkwilligen.

Als reactie ontstond In Zuidoost-Drenthe, waar ten gevolge van de verveningen veruit de grootste concentratie van werknemers in Drenthe voorkwam, in Nieuw Amsterdam in 1899 de vereniging “De Eendracht”, die zich al snel  bij de NBvL (Nederlandse Bond van Landarbeiders)  aansloot.

Erica, Nieuw-Weerdinge en Emmer-Compascuum volgden spoedig.

De NBvL wist zich echter nooit tot een bond met een groot ledental te ontwikkelen en ook de plaatselijke Drentse afdelingen bleven klein.

Afijn, ook aan deze onrust kwam een eind en het leven kabbelde voort. Toen op enig moment de vervening over haar hoogtepunt geraakte nam aanvankelijk de textielindustrie de rol van grootschalig werkgever over.

Na de Tweede Wereldoorlog speelden politici zoals burgemeester Gaarlandt en wethouder Zegering Harders een belangrijke rol om samen met de middelen van het Marshallplan grootschalige industrie naar Emmen te halen.

Het dorp Emmen, als kern, bleef groeien in oppervlakte en inwonertal. Erica daarentegen tikte soms tegen de 5000 inwoners, maar zou er nooit over heen gaan.   

Bronnen;

Gerhard J. Vedder, 24 maart 2026